Theoretisch Kader


Sherborne Samenspel is gestoeld op diverse theoretische kaders, waarover u hieronder meer kunt lezen:


Bewegingspedagogiek


Hechtingstheorie



Video Home Training

Neurobiologie



Binnen Sherborne Samenspel komen de werkzame bestanddelen van zowel bewegingspedagogiek als Video Home Training in een unieke combinatie tot hun recht. Waarom het werkt? Lees meer hierover bij het Nederlands Jeugd Instituut.

 







Bewegingspedagogiek

De bewegingspedagogiek beschrijft de fysieke taal als HET kenmerk van de eerste levensfase.

De eerste gewaarwordingen en leerervaringen van een baby zijn: gedragen en ondersteund worden, ingepakt, gevoed, geknuffeld en gewassen worden. Door deze ervaringen krijgt een baby informatie over zichzelf en de mensen om zich heen. Via de zintuigen wordt het zich bewust van zijn eigen lichaam en ontwikkelt een identiteitsgevoel, een ik-bewustzijn. Vanuit de relatie, die tijdens deze activiteiten groeit tussen baby en volwassene, ontwikkelt het kind een gevoel van emotionele en fysieke veiligheid. 

Deze ervaringen vormen de basis voor een verdere evenwichtige ontwikkeling. Als de baby peuter wordt en gaat lopen en praten, vindt een belangrijke verandering plaats: de lichaamshouding gaat van horizontaal naar verticaal. In plaats van het hele lichaam te voelen op de grond, hebben vooral de voetzolen nog grondcontact. Het kind wordt toenemend minder gedragen, de fysieke afstand tussen ouder en kind wordt groter, het kind gaat praten en wordt aangesproken op het praatvermogen. Het kind gaat "van zijn lijf naar zijn hoofd". In zijn verdere ontwikkeling zal het kind vooral gewaardeerd en aangesproken worden op "hoofd"zaken. Ook de focus van de ouders verandert hiermee. Waar ouders van jonge kinderen nog vaak heel sensitief op lichaamstaal reageren, is men nu meer gericht op het toespreken van en bespreken met het kind. 

Veronica Sherborne  ging terug naar de basis: in plaats van het kind "via het hoofd" te benaderen, koos zij voor een aanpak "via het lijf". 

          

Veronica Sherborne ontdekte dat, als een kind geen of onvoldoende lichaamsbesef heeft, dit direct gevolgen heeft voor de wijze waarop het kind zich beweegt in de (letterlijke en figuurlijke) ruimte en bij het aangaan van relaties. Zonder een goed vertrekpunt - het zelfbewustzijn - kan een kind niets leren over de omringende wereld. Om zelfvertrouwen te winnen moet het zich niet alleen vertrouwd en op z'n gemak voelen in het eigen lichaam, het moet zich ook op z'n gemak (leren) voelen in de omgeving waarin het verblijft. Dit impliceert een bewustwording en aanvaarden van de ruimte om zich heen.

Een kind kan slecht leren van anderen, als het geen relatie aangaat resp. durft aan te gaan met hen.

Verstoorde hechting en/of trauma hebben invloed op het lichaamsbesef. Volgens de recente inzichten uit de neurobiologie  (doorklik), kun je de gemiste kansen in de vroege kindertijd terug zien in de groei van de hersenen.  Aangezien alle ervaringen via de laagste delen van de hersenen binnen komen, zal het belangrijk zijn dat de ontwikkeling van dit gebied versterkt wordt. 

 



Hechtingstheorie

Met hechtingsrelatie  bedoelt men de duurzame, liefdevolle, wederzijdse band tussen een kind en zijn ouders, eventueel verzorgers (Bowlby). Een goede en veilige hechting betekent dat een kind zich naar de ouders wendt voor hulp, geborgenheid en verzorging.

Belangrijk hierbij is dat de fysieke nabijheid van de ouder een kind zodanig kan geruststellen, dat het vanuit vertrouwen zijn omgeving gaat onderzoeken. Door middel van deze verkenningen ontwikkelt zich een gevoel van beheersing en competentie. Terwijl altijd de mogelijkheid bestaat naar de veiligheid en geborgenheid van de ouders terug te keren wanneer de spanning te hoog oploopt.

Het proces van hechten vindt eigenlijk al plaats vanaf de conceptie en ontwikkelt zich het sterkst tot aan ongeveer het 3e levensjaar. Voor het tot stand komen van hechting is minimaal één hechtingsfiguur nodig, meestal de moeder. Als het kind twee ouders heeft om zich aan te hechten dan kan het aan beide ouders veilig zijn, aan één ouder veilig zijn of aan beiden onveilig zijn. Omdat het over een interactief proces gaat, spelen zowel ouder- als kindfactoren een rol. 

Wat de rol van de ouders betreft is uit onderzoek gebleken dat er een sterke generationele factor meespeelt. Moeders met een veilige hechting hebben zelf ook vaak veilig gehechte kinderen. Onveilig gehechte moeders hebben een grotere kans op kinderen met een onveilige hechting. Veilig gehechte ouders blijken beter te kunnen reflecteren en zich in het perspectief van het kind te verplaatsen.  Deze ouders zijn in staat om van een afstandje te kijken naar hoe zij zelf denken, voelen en handelen, in de wetenschap dat een ander de werkelijkheid anders kan ervaren (mentaliseren). Hierdoor kunnen zij op hun kind reageren vanuit dat wat het kind nodig heeft, in plaats vanuit eigen behoefte of emotie. Deze kinderen leren dit op hun beurt weer van hun ouders. 

                               

De gezonde hechting vindt vooral plaats in de eerste levensjaren:

* nul tot twee à  drie maanden aanpassen en evenwicht vinden

Vrij snel na de geboorte herkent een baby de stem en geur van zijn moeder, maar hij heeft nog geen emotionele voorkeur. De gerichtheid op moeder is reflexmatig.

Een baby is soortgericht. Dat wil zeggen: hij is gericht op andere mensen, meer dan op dingen. Vooral menselijke gezichten boeien baby's. Per week neemt de gerichtheid op de ander toe. Met huilen, kraaien en vastpakken probeert de baby de ander naar zich toe te trekken en bij zich te houden.

Het gaan glimlachen vanaf zes weken is van groot belang. Het glimlachen gebeurt vanzelf bij welbehagen. De glimlach stimuleert het hechtingsgedrag bij de verzorgers.

* twee à  drie tot vijf à  zes maanden eerste psychologische hechting (Mahler: symbiotische relatie)

Na de eerste drie maanden komt het kind tot een eerste psychologische hechting. Hieraan voorafgaand leert het kind door het zien van dezelfde gezichten, steeds beter onderscheid te maken tussen mensen. Als de vaste verzorger, vaak de moeder, er in slaagt zichzelf in hoge mate voorspelbaar te maken voor het kind, zodat het kind steeds beter weet wat er gaat komen, leert het kind steeds beter te discrimineren tussen verschillende mensen en zich behaaglijk te voelen bij de vaste verzorger.

Pas wanneer de baby de moeder of de vaste verzorger weet te onderscheiden van anderen, kan de emotionele binding - de hechting - op gang komen. In deze fase (een maand of zes à  zeven, zo'n 30 weken) ontstaat vaak een periode van eenkennigheid. Het kind gaat huilen bij vreemden en geeft duidelijk de voorkeur aan de nabijheid van zijn primaire hechtingsfiguren.

Hiermee wordt de fase die Bowlby noemt "the attachment in the making" afgerond.

* vijf à  zes tot 36 maanden: individuatie en separatie

Een proces van nabijheid zoeken wordt afgewisseld met weer afstand nemen en onderzoeken.

Vanaf het eerste jaar kan het kijken naar moeder steeds meer de plaats innemen van het aanraken van moeder. Ook op enige afstand blijft de moeder dus een veilige basis.

Een kind van twee durft steeds verder uit de buurt van moeder te gaan en haar eventueel uit het oog te verliezen, al zal hij steeds weer even komen kijken of ze er nog wel is. Op een gegeven moment durft een veilig gehecht kind zelfs tegen moeder in te gaan, dingen te doen die zij niet wil, zijn eigen zin door te drijven. Tegelijkertijd is de twee-jarige ook nog bang om zijn moeder kwijt te raken. Als zij hem even bij een ander achterlaat kan de scheidingsangst de kop op steken. Vaak wordt deze angst 's nachts sterker.

Het kind draagt nu voorstellingsbeelden van de moeder mee die hem helpen scheidingsperioden te overbruggen.

Aan het einde van het tweede levensjaar wordt wel gesproken van de "terrible twos". Het kind wil alles zelf doen en bepalen, ook al kan het dat nog niet. In deze fase ontstaat gemakkelijk een machtstrijd om eten en slapen gaan. De psychologische geboorte van het "ik" in het derde levensjaar is een mijlpaal in het hechtingsproces. Het fundament voor de hechting is dan gelegd. Bij een veilige hechting heeft het kind nu basisvertrouwen, het ontwikkelt zelfvertrouwen en een beginnende autonomie. Het kind kan creativiteit en fantasie ontplooien en het eigen spel komt tot bloei.

Truus Bakker heeft n.a.v. de hechtingstheorie, een overzichtelijke hechtingspiramide ontworpen, waarin duidelijk staat welke bouwstenen het kind doorloopt, en wat hierbij van de opvoeders verwacht wordt. 

Bij Sherborne Samenspel is een duidelijke koppeling gemaakt tussen de bewegingspedagogiek en het bouwstenen model van Truus Bakker. De spelvormen van Sherborne Samenspel kunnen worden ingedeeld naar verschillende ontwikkelings- en gehechtheidsfasen. Eerst wordt gekeken in welke fase van gehechtheidsontwikkeling het kind zich bevindt, en daarop wordt het aanbod specifiek afgestemd. 

 




Video Home Training

Video-hometraining (VHT) is een vorm van professionele opvoedbegeleiding, waarbij door analyse van korte video-opnames van de alledaagse omgang thuis, zichtbaar wordt gemaakt wat goed loopt in de communicatie en wat verbeterd kan worden. De video-opnames worden door de begeleiders samen met de ouders besproken en geanalyseerd, met als doel de ouders helder zicht te geven op het functioneren en de behoeftes van het kind. Hierdoor zijn de ouders (weer) beter in staat het kind op een positieve manier te ondersteunen bij zijn ontwikkeling. De ervaring wijst uit, dat de meeste ouders bij het terugkijken van de beelden, zelf heel snel zien wat hun kind nodig heeft en zelf ook goed kunnen formuleren hoe zij hun eigen handelen daar op af kunnen stemmen. De micro-analyse van video-beelden geeft ouders vrijwel altijd weer een helder beeld van datgene wat wel goed loopt in de opvoeding en maakt het mogelijk dat zij hun kind met "andere ogen" bekijken. In overleg met de begeleider kunnen zij vervolgens concreet formuleren hoe zij hun kinderen de stimulans, steun en leiding kunnen gaan geven, die nodig is. In de vervolg video-opname(s) krijgen ouders letterlijk en figuurlijk de ontwikkeling van hun kinderen "in beeld". Een belangrijk nevenaspect daarbij is dat het genieten ook weer op gang komt.

Bij de Sherborne Samenspel worden video-opnames gemaakt van de bewegingssessies. Er wordt bij het terugkijken met de videobeelden met de ouders, gekeken naar de basis interactie principes, centraal staand in de VHT: initiatieven volgen, verbale en non-verbale ontvangstbevestiging, (instemmend) benoemen, beurtverdeling en leiding/sturing/richting geven. Bij Sherborne Samenspel wordt specifiek de nadruk gelegd op elementen uit de basiscommunicatie die voor kinderen met een gebrekkig basisvertrouwen van belang zijn. 

Daarnaast wordt er gelet op signalen van het lichaam van het kind zoals bijv. de ademhaling, spierspanning, lichaamstemperatuur en gevoeligheid van de huid. Ouders worden hierdoor aangesproken op hun natuurlijke vermogen om de lichaamstaal van hun kind te verstaan en daarop af te stemmen. Centraal staat het bevorderen van sensitiviteit van de ouder: het vermogen om signalen en behoeften van het kind op te vangen, adequaat te duiden en er zo op te reageren dat het kind er competenter van wordt. Voor Sherborne Samenspel geldt daarbij: betrouwbaar zijn in je manier van aanraken, aanwezig zijn, wederzijds voelen en gevoelig zijn. Deze vorm van communicatie staat ook centraal in de eerste levensfase, en vormt een belangrijke voorwaarde voor de tot standkoming van hechting. De Sherborne begeleider is zelf tijdens de bewegingssessies rolmodel in de sensitief responsieve interactiestijl.

 

Bronnen: Riksen-Walraven, AIT



Neurobiologie

Het menselijk brein ontwikkelt zich in een vaste opeenvolgende volgorde, overeenkomend met de evolutionaire ontwikkeling van het brein.

De onderste laag ontwikkelt zich eerst, de hersenstam. Daar worden basale zaken geregeld zoals lichaamstemperatuur, bloeddruk, hartslag, honger, slaap. Als de onderste laag, zich niet goed ontwikkelt, heeft dit gevolgen voor de lagen daarboven. 

In het limbische systeem worden emotionele reacties, alertheid, motorisch gedrag en hechtingsgedrag aangestuurd. Een belangrijk onderdeel van het limbisch systeem vormt de amygdala. De amygdala legt verbanden tussen informatie die van verschillende zintuigen afkomstig is en koppelt deze aan emoties. Het is ons innerlijk waarschuwingssysteem, dat er voor zorgt dat we bij gevaar alert en passend reageren (fight, flight, freeze). Aan iedere nieuwe situatie wordt een bepaalde emotionele waardering gegeven en als zodanig in het geheugen vastgelegd. Als een bepaalde trigger (iets dat je ruikt, hoort, voelt of ziet) terecht of onterecht met een gevoel van gevaar in verband gebracht is, dan zal de amygdala bij een latere ontmoeting automatisch dezelfde stressreactie opwekken. Zelfs de gedachte aan de trigger, kan een fysiologische stressreactie oproepen. Hoe gevoeliger de amygdala, hoe sneller en heftiger de reactie. De gevoeligheid in de amygdala wordt deels bepaald door genetische factoren en deels door voortdurende leerprocessen. Wanneer er sprake is van traumatische gebeurtenissen of chronische stress, kan dit leiden tot overgevoeligheid, en daarmee tot disproportionele emotionele reacties.


De neocortex, de buitenste laag, ontwikkelt zich als laatst en is daardoor het meest plastisch. Het is het geavanceerde deel van het brein, dat verantwoordelijk is voor het menselijk bewustzijn. De neocortex is betrokken bij verschillende zintuiglijke en cognitieve functies, zoals abstract denken en redeneren, reflecteren, voorstellingsvermorgen, inlevingsvermogen, en ook gedrags- en emotieregulatie.

Tijdens de eerste maanden tot en met het derde levensjaar is de rechter hersenhelft dominant. De rechter hersenhelft is verbonden met het "non-verbale leren": het beoordelen, bewerken en bewaren van niet-talige informatie. Deze informatie wordt in het procedurele geheugen opgeslagen als zogenoemde lijfherinneringen (ook wel "innerlijke werkmodellen" genoemd) . Het procedurele geheugen functioneert op onbewust niveau, en vormt de basis voor onze automatische piloot. Pas na het tweede jaar is de linkerhelft aan de beurt, parallel met de taalontwikkeling. Nu kunnen herinneringen in het expliciete (toegankelijke) geheugen opgeslagen worden.

                                                  

In aanleg is alles aanwezig bij de geboorte. De zenuwverbindingen moeten echter nog grotendeels gemaakt worden. 90% van het menselijk brein ontwikkelt zich in de eerste vijf levensjaren. Dit gebeurt op grond van wat een kind ziet, hoort en meemaakt. Voor een juiste ontwikkeling is het voor elk gebied nodig dat er goed getimede, herhaalde en patroonmatige ervaringen plaatsvinden. Eén van de belangrijkste kenmerken van neuraal weefsel is dat het verandert door patroonmatige , herhaalde activiteiten. Gebruikte neurale systemen worden sterker, de niet gebruikte minder. Hoe de neurale systemen zich vormen is een wezenlijk bepalende factor voor het latere gedrag en emotionele functioneren van het kind. 

Wanneer er in het vroege leven van een kind sprake is van verhoogde stress, heeft dit effect op de neurale verbindingen in de lagere hersengebieden, waardoor het innerlijk waarschuwingsysteem en de emotionele reacties van het kind ontregeld raken. Omdat de ontwikkeling van de hogere hersengebieden afhankelijk is van de juiste organisatie van de lagere gebieden, zijn meegemaakte gebeurtenissen in de vroege kinderjaren van grote invloed op de ontwikkeling van alle hersendelen. Veelal betreft het hier geen bewuste herinneringen, maar juist aannames over zichzelf en de wereld op onbewust, non-verbaal, lijfelijk niveau. Het kind gaat hierdoor overreageren ("kort lontje", snel huilen, hyperactief gedrag, extreem angstig) of onderreageren (apathisch, ongevoelig, gesloten). Juist doordat het gaat om onbewuste processen, zijn deze moeilijk met de gebruikelijke therapieën te beïnvloeden.

 

Sherborne Samenspel is door "lijfgerichte" non-verbale aanpak erg geschikt en werkzaam bij deze kinderen. Middels voorspelbare, liefdevolle bewegingen en aanrakingen, kunnen positieve neurale verbindingen gelegd worden. Dit helpt de hersenen in hun rol de stressreactiesystemen te reguleren en de controle over emoties en  motorische activiteiten te verbeteren. 

 Bronnen: Bruce Perry 2007, Deborah Plummer 2010, Margot Sunderland 2007, Annik Thoomes-Vreugdenhil 2006

"From the moment of our conception to the finality of our death,

intimate and caring relationships are the fundamental mediators

of successful human adaptation"  - Shondoff and Phillips